Utrecht in de prehistorie

Uitzinnige vreugde bezorgden de paleolithische rendierjagers in 2015 bij een aantal van hun nakomelingen.  Dat het vuurtje dat ze 13.000 jaar geleden stookten de oudste Utrechtse vondst is, konden ze vast niet bevroeden.

De 33e van der Monde lezing vond op 13 februari 2018 plaats in de Pieterskerk in Utrecht en werd georganiseerd door de vereniging Oud Utrecht. Een bevlogen Linda Dielemans nam haar toehoorders mee in de emotionele rollercoaster van archeologische verwachtingen. Ze besprak archeologische vondsten uit de prehistorie bij Utrecht, uit zowel steen-, brons- als ijzertijd.

Vondstenchronologie

Bij rioolwerkzaamheden in 1923 werd de eerste Utrechtse prehistorische vondst gedaan. Deze neolithische hamerbijl, daterend tussen 2600 en 2450 voor Christus, vormde de aftrap van de lezing. Op volgorde van het jaar waarin ze werden gedaan,werden alle vondsten behandeld. Het spectaculaire bronzen zwaard van Jutphaas, daterend van 1500 v. Chr., vond men bijvoorbeeld in 1967. Er bestaan ter wereld slechts zes van deze zwaarden, die vermoedelijk in Norfolk zijn vervaardigd. Andere opzienbarende vondsten zijn zwervende erven uit de late ijzertijd, de hoektanden van een bruine beer uit de bronstijd en haardkuilen uit het mesolithicum. Daarbij aangetekend dat een aardewerken scherfje, hoewel veel minder aaibaar dan een bronzen zwaard, net zo veelbetekenend kan zijn bij het in kaart brengen van het menselijk bestaan. Het gaat te ver om alle vondsten hier te bespreken: zie daarvoor de videoregistratie van de lezing op de website van de vereniging Oud Utrecht.

Het complete plaatje

In de Uithof, aan de Hoofddijk, werd in 2015 uitgebreid archeologisch onderzoek gedaan. Omdat vondsten werden gedaan uit zowel steen-, brons als ijzertijd, is voor onderzoek naar de prehistorie deze opgraving tot op heden het meest interessant. Linda stond hier dan ook uitgebreid bij stil. De ondergrond bestond ten dele uit een dekzandrug; zoals altijd was de overgangszone tussen hoog en droog en natte laagte de ideale plek om te zich te vestigen. Uit een periode voorafgaand aan permanente bewoning werd hier de oudste Utrechtse vondst gedaan: een vuurkuil uit het Allerød-interstadiaal. Met de C-14 dateringsmethode is de ouderdom bepaald op 11.378-11.144 v. Chr. Na een koudere periode volgde het Mesolithicum. Hogere delen van het landschap begroeiden met heide en hoogveen, terwijl dennen de natte dalen domineerden. Vele menselijke sporen werden gevonden uit deze warmere periode tussen 8800-6200 v. Chr. Voorbeelden zijn een enorme vuurkuil, mogelijk gebruikt als kuiloven of voor het winnen van berkenpek, microlythen (kleine werktuigjes) en kookstenen. Mogelijk vond men zelfs restanten van hutten. De precaire archeologische balans tussen realiteit en verlangen slaat hierbij overigens meer naar het laatste door. Pas tussen 2900 en 2575 v. Chr. vestigden zich opnieuw mensen in de regio Utrecht. De opkomende veenmoerassen verdrongen de bewoners naar de hoogste delen van het landschap. Hoewel het bodemprofiel grotendeels vergraven is, vond men paalgaten van mogelijk huizen en schuren uit deze tijd. Menselijk afval als slijpstenen, vuursteenafslag en afdrukken van koeienpoten vormen voor het eerst definitief bewijs dat ook Utrecht bij de neolithische Stein-Vlaardingencultuur behoorde. Ondanks de heftig verstoorde bodem werden ook uit de midden-bronstijd paalgaten van mogelijke huizen gevonden. Daarbij werden brokken natuursteen en een schrabber opgegraven en vond men een onnatuurlijke ophoping van pollen van gebruikskruiden. Uit de ijzertijd werden wat minder sporen gevonden. Toch verborg deze aardlaag diverse potjes en aardewerkscherven, houten voorwerpen en een houten figuur, mogelijk een idool.

De wens is de vader van de gedachte

Zeer sterk bij deze lezing was de verwoording van hoop en teleurstelling. Interpretatie van vondsten is het allermoeilijkste onderdeel van de archeologie. Waar het resultaat bij een opgraving soms sterk tegenvalt, wil de archeologische fanatiekeling er graag toch wat moois van maken. Diverse malen werd een vondst bij Utrecht toegeschreven aan iets wat in een later stadium toch weer werd ontkracht. Een grafheuvel bij de Hoofddijk bijvoorbeeld, leek uiteindelijk toch meer op een hooiberg. Of een rieten mat die niet als visfuik of eendenkooi diende, maar fungeerde als rode loper naar een offerplek. Verrassend veel vondsten werden toegeschreven aan rituele plaatsen. Als magie en spiritualiteit in het spel zijn, slaat de fantasie snel toe. Bij Rijnvliet bijvoorbeeld werd in 2010 een mogelijke rituele offerkuil gevonden. Alleen tijdens de winterzonnewende scheen de zon precies over deze vuurkuil. De artistieke verbeelding hiervan was een nog vrij brave weergave van een kuil met enkele palen, behangen met schedels, iets wat sommige archeologen echter al hadden opgeschaald tot een heus tempelgebouw. Gelukkig wordt niet alles direct voor waar aangenomen, maar slechts geopperd als mogelijke verklaring, waarbij de archeoloog enige zelfspot niet schuwt.

Aanmerkingen

Als recensent heb ik bij deze verder uitstekende lezing natuurlijk enkele kritische noten. Ten eerste vraagt de chronologie om meer uitleg. Hoewel de vooraf aangekondigde bespreking op volgorde van vondstjaren een bewuste keuze was, werd niet duidelijk waarom dit zo was. Een chronologie gebaseerd op tijdsperioden, van paleolithicum tot late ijzertijd, ligt voor de hand. Er kunnen dan makkelijker verbanden gelegd worden tussen de verschillende vondsten en vindplaatsen. De meerwaarde van de door Linda gehanteerde volgorde is uitleg over de ontwikkeling van de archeologie bij Utrecht. Bijvoorbeeld veranderende opgravings- en onderzoeksmethoden, locatiekeuzes en archeologische verwachting. Helaas deed ze hierover geen uitspraken.
Ten tweede werd de bespreking van de specifieke locatie Utrecht niet erg belicht. Wat was er juist in de regio Utrecht interessant en wat was haar relatie met haar omgeving. Een enkele keer werd de handel met de Zuid-Holland regio en later Friesland genoemd en de grensbepaling van de Stein-Vlaardingencultuur. Maar zijn er zaken die juist Utrecht bijzonder maken? Of juist niet? Kan Utrecht als prehistorisch referentiegebied dienen?

Toeval

Ook al zoek je er niet naar, wees altijd alert op het aantreffen van prehistorische vondsten. Dit afsluitende advies formuleert Linda aan de hand van de vele ‘toevalsvondsten’ in het verleden. Veel van de hierboven besproken prehistorische vondsten vonden bijvoorbeeld plaats bij het in kaart brengen van de Romeinse Limes. Ook bij de vernieuwing van de Noordelijke Randweg en bij eventuele woningbouw in de polder Rijnenburg zijn er weer volop kansen. Je vindt tenslotte vooral iets als je er niet te hard naar zoekt!

Auteur: Mart Kwakkel

Verder lezen?

VN:F [1.9.22_1171]
Rating: 0.0/10 (0 votes cast)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *