«

»

Nieuw onderzoek Thermenmuseum Heerlen

In Heerlen gaat iets groots gebeuren. Met steun van de gemeente en provincie gaat men het “vergeten” Romeinse badhuis in het Thermenmuseum grondig aanpakken. Op de planning staat naast de hoog nodige restauratie ook nieuw onderzoek naar het unieke monument. Karen Jeneson is de conservator van het Thermenmuseum en ik interviewde haar over haar plannen met het badgebouw.Karen Jeneson

In april tijdens de Limburgse Archeologiedag gaf Jeneson al een kleine voorzet op het project. Haar korte lezing maakte duidelijk dat er een enorm potentieel aan onderzoek zit in het badhuis onder andere omdat er jarenlang nauwelijks naar is omgekeken. Tekenend is dat de enige wetenschappelijke publicatie over het badhuis stamt uit 1948. De documentatie is verspreid over verschillende archieven in Nederland, terwijl bijna alle vondsten in Heerlen staan. Zelfs al tijdens de voorbereidende fase van het onderzoek waarin alle documentatie geïnventariseerd wordt zijn er verschillende ontdekkingen gedaan.

Geschiedenis van het badhuis

Het onderzoeksverleden van het badhuis is sowieso een verhaal apart. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de resten ontdekt en ging men al een week na de ontdekking aan de slag met de opgraving. De leiding had amateur-archeoloog en huisarts H.J. Beckers uit Beek, die destijds door heel Zuid-Limburg vindplaatsen opgroef. “Jongelui” uit Heerlen doen het graafwerk. Hierbij wordt niet bepaald stratigrafisch gewerkt. De jongens werden apart voor vondsten betaald, waarbij mooie vondsten een hoger bedrag opleverden. Het zal dus geen verbazing wekken dat die eerste opgravingscampagne vooral munten en terra sigillata heeft opgeleverd. Zodra duidelijk is geworden dat het gaat een complete plattegrond van een Romeins badhuis, wordt A.E. van Giffen naar Heerlen gestuurd. Eind 1940 wordt hij aan de opgraving toegevoegd. Dit zeer tegen de zin van Beckers, die eigenlijk de leiding niet wil afstaan. Van Giffen op z’n beurt weigert onder leiding van Beckers te werken. Jeneson kan genieten van de bewaarde brieven waarin de nette heertjes elkaar de grond in boren en over alles wel iets te klagen hebben.

Van Giffen krijgt eind 1940 officieel de leiding en graaft het laatste stuk van het badhuis in 1941 op. Hij noteert zijn bevindingen in de tot nu toe enige publicatie in 1948 getiteld Thermen en castella te Heerlen-Coriovallum. Het is echter niet de enige opgraving aan het badhuis. De archeoloog Bogaers graaft direct rondom het complex delen van Romeins Coriovallum op tussen 1952 en 1957. Van zijn werk is weinig bekend, omdat hij zijn onderzoek nooit uitgewerkt en gepubliceerd heeft.

Opgraving jaren 50.

En hier wordt het interessant. In de afgelopen maanden heeft de onderzoeksgroep de documentatie van Bogaers weten te achterhalen. De archeoloog is na zijn werk in Heerlen vertrokken naar Nijmegen en het daar gevestigde projectbureau Auxilia bleek al zijn vondstenboekjes, tekeningen en rapporten te hebben. Het kantoor van Jeneson hangt vol met zijn veldtekeningen waarop rondom het badhuis vele tot nu toe onbekende archeologische resten te zien zijn. In tegenstelling tot Beckers werkte Bogaers wel stratigrafisch waardoor vondsten gekoppeld kunnen worden aan sporen en structuren. Zo kunnen de structuren nauwkeuriger gedateerd worden. En met de bijna 10.000 vondsten van Bogaers is dit veelbelovend. Nu al geven de houtbouwfases op de tekeningen van Bogaers nieuwe informatie over vroeg Romeins Heerlen in de tijd voor de steenbouw.

Ouder dan gedacht

Een van de heetste hangijzers is de datering van het badhuis. Van Giffen dacht aan de eerste eeuw na Chr., onder keizer Claudius (40 – 54 na Chr.). Hij baseert dit op terra sigillata en munten. Bogaers daarentegen dateert het badhuis op het begin van de 2e eeuw, mede door de vondst van dakpannen met het stempel van het 30e legioen, dat vanaf 125 na Chr. in Romeins Xanten gelegerd was. Het nieuwe onderzoek zal moeten uitwijzen wie het bij het juiste eind had.

Recent onderzoek naar het vroegste vondstmateriaal uit Coriovallum zou erop kunnen wijzen dat Van Giffen gelijk had. Dit onderzoek is uitgevoerd door de Vicus-onderzoeksgroep, opgericht door archeologen uit Heerlen, Maastricht, Jülich en Aken. Al deze steden hebben Romeinse wortels en liggen aan een van de twee Romeinse hoofdwegen. In alle vier de steden is augusteïsch vondstmateriaal aangetroffen. Uit Heerlen komt opvallend veel materiaal in vergelijking met dat van de andere drie steden, bovendien is het sterk militair van karakter, zoals italische terra sigillata met grafito’s en specifieke fibulae. En dus kwam men tot een verrassend vroege datering van Romeins Heerlen, namelijk in de tijd van keizer Augustus in de twee decennia voor Chr. Heerlen en Aken lijken in dezelfde periode te zijn ontstaan, op de voet gevolgd door Maastricht en Jülich De resultaten van de Vicus-groep werden in de tentoonstelling Augustus op het spoor die momenteel in het Centre Ceramique in Maastricht is te zien.

Jeneson vermoedde al dat Heerlen een stuk ouder was dan altijd gedacht. Nabij het badhuis zijn door Van Giffen, Bogaers en mensen van het museum objecten uit de tijd van Augustus gevonden. De typische Ako-bekers, munten en Gallische fibulae zeiden volgens haar genoeg. Ook in de pas ontdekte opgravingsdata van Bogaers blijkt dat hij veel houten structuren heeft gevonden van minstens twee verschillende fasen, die aan de steenbouw vooraf gaan. Bijvoorbeeld op de plaats van een mogelijk mansio of statio, een rustplaats voor militairen en ruiters, zijn paalkuilen gevonden die wijzen op een oudere houten voorganger.

Dit geeft Heerlen een compleet ander verhaal vertelt ze. In de Augusteïsche tijd zijn de Romeinen nog volop in oorlog met de Germaanse stammen in de regio. Langs de Rijn en Lippe liggen verschillende legerkampen in vijandelijk gebied. In het vruchtbare Limburgse lössgebied wordt graan verbouwd om de soldaten te voeden. In dit verhaal is Heerlen onderdeel van de Romeinse expansiedrift naar het noorden. Daarmee is volgens Jeneson ook de vreemde oriëntatie van het badhuis te verklaren. Deze zou dan niet op de Via Belgica, die van oost naar west loopt, zijn gebouwd, maar juist op de weg van Romeins Aken naar het noorden in de richting van Romeins Xanten. De grote hoeveelheden vondsten en vindplaatsen en ook de rijkheid van het materiaal wijzen er ook op dat Heerlen geen kleine nederzetting was, Jeneson schat dat de stad zich in latere tijden zelfs groter was dan de Romeins buren zoals Aken en Maastricht. Dit zijn voorlopige conclusies, maar zeker is dat het traditionele beeld van Heerlen op de schop moet.

Coriovallum

Een klassieke impressie van Coriovallum: een kleine cluster van voornamelijk boeren.

Tijdens het interview laat ze ook een vergeten artikel zien in het Land van Herle. Een Duitse bouwkundige vergelijkt de plattegrond van het Heerlense badhuis met andere badhuizen uit de regio. Hij komt tot de conclusie dat de typische vorm leidt tot een datering in de Flavische periode rond 96 na Chr. Ook dit moet worden nagetrokken in het vooronderzoek en Jeneson heeft haar Duitse collega’s om hulp gevraagd. Voor advies moet ze bijna altijd over de grens kijken. Het badhuis in Heerlen is uniek in Nederland, waar eigenlijk nergens meer Romeinse steenbouw is overgebleven, en er is dus weinig expertise bijvoorbeeld in bouwhistorie, conservering en restauratie.

Het is fantastisch dat al in de voorbereidende fase er zoveel ontdekkingen worden gedaan. Voordat de projectgroep kan beginnen met de restauratie van het badhuis en het onderzoek moet eerst een compleet dossier worden aangelegd. Er wordt nu druk gewerkt aan de inventarisatie van het materiaal en de documentatie. Het oude onderzoek gaat men uitwerken, wat nog minimaal twee jaar gaat duren. Er staat daarnaast een grondige schoonmaakbeurt van het badhuis gepland. Hierbij verwacht Jeneson dat er ook weer nieuwe zaken aan het licht komen. Bovendien staan er werkzaamheden gepland aan het Tempsplein naast het museum, wie weet wat daar uit de grond komt?

Nieuw museum

Het huidige Thermenmuseum is gebouwd in de jaren 70 en kan het best omschreven worden als Mondriaans bunker, veel beton en staal met de kleuren rood, geel en blauw. Daar komt bij dat het gebouw niet bevorderlijk is voor de conservering van de Romeinse resten. Er is bijvoorbeeld geen klimaatbeheersing en door het enkele glas en metalen dak zijn er door het jaar heen enorme temperatuurschommelingen waardoor het Romeinse muurwerk in verval is geraakt. Ook is de museale opstelling niet meer van deze tijd. Jeneson vindt het daarom tijd voor verandering en heeft daar eigen ideeën over.

Thermenmuseum

Vroege foto van het Thermenmuseum.

Haar voornaamste bezwaar betreft de presentatie van het badhuis in het huidige Thermenmuseum De afstandelijke manier zonder al te veel informatie is achterhaald. Bezoekers kijken vanaf een loopbrug op de Romeinse resten, ze krijgen geen kans om het gebouw te beleven. Er is nauwelijks duiding en men moet zelf maar een invulling geven aan alle resten uit verschillende periodes, terwijl de gemiddelde bezoeker net weet wat Romeinen zijn. Sinds er een digitale reconstructie op de loopbrug wordt vertoond merkt Jeneson dat er meer begrip en beleving komt bij de bezoekers. Deze lijn wil ze doorzetten

Haar ideeën haalt Jeneson uit Duitsland, België en Frankrijk waar interessante en aantrekkelijke musea bij Romeinse monumenten zijn opgericht. Het archeologisch park in Xanten weet bijvoorbeeld op een geslaagde manier reconstructies te maken van Romeinse gebouwen waarin de de originele resten worden verwerkt. Onlangs is daar een huizenblok gereconstrueerd op de resten van echte ambachtshuizen uit de Romeinse tijd. Binnenin de lemen huizen kan de bezoeker vrij rondlopen en een stoel uit het interieur pakken om alles rustig te bekijken. Gelijk is duidelijk wat nieuw en wat oud is door een sterk contrast. Mensen krijgen een stuk authenticiteit en kunnen zich dankzij de reconstructies een beeld vormen bij de resten.

Als tweede voorbeeld noemt ze het park in Bliesbruck waar net als in Heerlen een badhuis en vicus zijn gevonden. Hier gebruikt men bijvoorbeeld gekleurd grind om een onderscheid te maken tussen het interieur en exterieur van de resten van het badgebouw. Binnen zijn delen van de ruimtes opnieuw opgebouwd en de frisse kleuren geven het contrast aan met de authentieke resten. In Bliesbruck is ook gekozen om niet alle Romeinse resten aan het publiek te tonen. Zo blijft dit deel geconserveerd en wordt het overzichtelijker voor de bezoekers.

De kritiek op deze aanpak van oudheden is voorspelbaar: je beschadigt het erfgoed, blijf ervan af. Maar zoals de eerder genoemde musea laten zien is het mogelijk om een compromis te vinden tussen bescherming en gebruik van het erfgoed. En als museum kun je niet voortbestaan wanneer je je bezoekers moet afhouden van je pronkstuk. Jeneson kijkt wat dat betreft uit naar de opening van Castellum Hoge Woerd. In het park integreert men de overblijfselen van het oorspronkelijke fort met een nieuw museum, theater en educatief programma. Als dit slaagt en weer blijkt dat Nederland warmt loopt voor deze aanpak, dan worden haar plannen voor het Thermenmuseum misschien wel snel werkelijkheid.

Auteur:

Verder kijken en lezen

VN:F [1.9.22_1171]
Rating: 9.9/10 (7 votes cast)
Nieuw onderzoek Thermenmuseum Heerlen, 9.9 out of 10 based on 7 ratings

1 ping

  1. Heerlenvertelt.nl | Onderzoeksgeschiedenis van het Thermenmuseum | Met HeerlenVertelt leggen wij de geschiedenis van Heerlen vast door middel van verhalen van (oud) Heerlenaren zelf.

    […] Vroege foto van het Thermenmuseum.Lees meer over het badhuis Niels Stoffels, interviewde Karen Jeneson over haar plannen met het badgebouw. Zij is de conservator van het Thermenmuseum. Je kunt het lezen in het uitgebreidere artikel dat hier te vinden is. […]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *